De horror van het vakantiehuisje

Je werkt aan een authentiek leven. Maar toch zul je er zo nu en dan aan moeten geloven: het Vakantiepark. Want er is een huisje geboekt. En jij moet mee. Nu maar uitkijken dat je vooral niet verandert in een spookachtig wezen, zoals de mensen die hier met alle liefde elke zomer vertoeven.

Ik betreed het horror-park langs de entree met slagboom, die het gevangenschap van deze tweedaagse martelgang al meteen duidelijk maakt.

Dan vervolg ik mijn weg langs de bordkartonnen hutjes met bakstenen muurtjes uit The Truman Show. Ik loop de bungalow naar binnen, en zie een – slik – gedateerd interieur. Uit pure paniek ren ik naar buiten, en vind een tuintje met witte plastic snackbar-stoeltjes. Dat op een paar stoeptegels na in directe verbinding staat met die van de buren, alsof het collectieve vakantiegevoel er al niet genoeg vanaf druipt. Vervolgens slaak ik een kreet, zodra er ineens macabere voorwerpen zoals bolletjes met hagelslag en een pak Dubbelfris op tafel verschijnen. Gelukkig is er een lichtpunt in deze donkere tunnel. Friet bijvoorbeeld. Op friet kun je altijd rekenen.

Al die hutjes, die geen secundaire functie (De Efteling/een festivalterrein) hebben, maar puur voor het vakantiepark en de vage omgeving zelf worden gebruikt, zijn de reinste vorm van sinister communisme. Karl Marx zou trots zijn. Sufferds aller landen, verenigt u!

Die kleinburgerlijkheid is behalve griezelig ook verdomd aanstekelijk. Dat begint al lang, lang, heel lang, voordat het vakantiehuisje wordt betreden. “Nemen we bordspelletjes mee?” vraagt die ene studievriend in de What’s App-groep. Oh nee, hoe kan nota bene hij zijn gesneuveld, die hippe vogel uit Amsterdam-West? Another one bites the dust. Stuk voor stuk veranderen we allemaal in ‘huishoudelijke mededeling’-zombies. Ik houd mezelf in. Straks ga ik nog zoete witte wijn drinken, zoals dat hoort bij het vakantiepark. Maar het is al te laat. Ineens zie ik mezelf typen: “Moeten we ons eigen bedlinnen en handdoeken meenemen?” 

Binnen de horror van het vakantiepark is het zwemparadijs mijn ultieme spookhuis aan witte schimmen. ‘Paradijs’, hmm… Wikipedia omschrijft het als: “een oord waar het leven heerlijk is, waar overvloed heerst en geen ziekte, rampspoed of dood bestaat.” Nou, ‘overvloed’, ja… Een overvloed aan urine en platgetrapte friet zal je bedoelen. Eigenlijk ben je vooral bezig om niet uit te glijden over de fletse Gamma-tegels. Tegels, waartussen het gekrijs van kinderen nog scheller klinkt dan normaal. Zijn die koters gelukkig? Of schreeuwen ze uit pure misère hun noodlot tegemoet? Nee, de oorspronkelijke omschrijving van ‘paradijs’ is een bungalow op het water in de Malediven. Een bungalow aan het water, bij een bruisend festivalterrein. Niet een bungalow tussen vijfhonderd andere bungalows in een bungalowpark met bungalowpubliek en bungalowactiviteiten. Als ik dan toch mijn welvaartsfysiek verhul in een bikini, mag dat dan a.u.b. in een echt paradijs met zand en zonsondergang? Dat flatteert wat beter. Iedereen blij.

Ik ben trouwens niet de enige wiens gestalte geen mooiere vorm krijgt door het zwemparadijs. Mocht je het zwemmen en friet eten zat zijn, kun je namelijk altijd nog kleurplaten inkleuren. Want minstens de helft van alle vakantiepark-gangers zijn grote, Hollandse Frankenstein-monsters met een piercing of tattoo, wist je dat? Om te verbergen dat het eigenlijk gewoon goedaardige werknemers zijn die in een tussenwoning in Geldermalsen wonen. Ik weet niet wat ik enger vind.

Moeten we het nog hebben over de naam van instituten zoals Roompot? Gadver. Nee, dat is te makkelijk. Deze hele column is te makkelijk. Alsof je Jan Smit belachelijk maakt. Domweg te gemakkelijk. Goedkoop. Plastic. Te banaal voor woorden. Net als het vakantiepark.

Geef dan die zoete witte wijn maar. *Gruwel*

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *